Financiën

6.1 Toelichting College van Bestuur

Inleiding

De jaarrekening van ons roc maakt als verantwoordingsdocument onderdeel uit van de beleidscyclus. De beleidscyclus begint met het bepalen, voorafgaand aan het boekjaar, van de financiële kaders. Deze kaders zijn in de begroting vertaald naar de organisatieonderdelen met als doel sturing van de organisatie. De begroting alsmede de jaarrekening zijn derhalve ontleend aan de beleidscyclus.

In deel B van dit geïntegreerd jaardocument is in hoofdstuk 2 de staat van baten en lasten 2019 opgenomen. Voor 2019 was een resultaat begroot van € 0,1 mln. negatief. Het uiteindelijke resultaat over 2019 is € 5,1 mln. positief. Dit verbeterde resultaat ad € 5,2 mln. wordt met name veroorzaakt door diverse significante financiële mee- en tegenvallers ten opzichte van de begroting 2019. In hoofdstuk 6.3 wordt dit verschil nader op hoofdlijnen geanalyseerd en toegelicht. 

Onderstaand volgt een grafische weergave van de ontwikkeling van onze belangrijkste kengetallen in de afgelopen drie jaar¹:

Rentabiliteit ultimo

¹De begrote rentabiliteit 2019 kan niet worden weergegeven in deze tabel aangezien deze 0,0% is

Het gemiddeld aantal fte’s is ten opzichte van de begroting gestegen met 47. Het p-aandeel is ultimo 2019 uitgekomen op 74,0%; dat is vrijwel conform het begrote percentage van 74,1%. De totale personele lasten zijn ten opzichte van de begroting gestegen, echter ook de totale baten zijn relatief evenveel toegenomen, namelijk 4%. Hierdoor blijft het p-aandeel vrijwel gelijk.

Aantal fte's ultimo (excl. mobiliteit)

P-aandeel ultimo

Balans ultimo 2019

In de balans 2019 (zie hoofdstuk 2 in deel B van dit geïntegreerd jaardocument) is zichtbaar dat het balanstotaal is toegenomen van € 116,1 mln. in 2018 naar € 122,6 mln. in 2019 Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de toename van de vaste activa van € 79,5 mln. in 2018 naar € 87,3 mln. in 2019. Deze toename heeft voornamelijk te maken met nieuwe investeringen die in 2019 zijn gedaan ten aanzien van o.a. het ver- nieuwbouwproject in Hoogeveen.     
Daarnaast zijn de kortlopende vorderingen toegenomen t.o.v. 2018 met € 1,3 mln. Deze toename wordt voornamelijk veroorzaakt door een openstaande vordering op de deelneming LOC+. Daarnaast is het debiteurensaldo toegenomen als gevolg van gewijzigde systematiek ten aanzien van de facturering Inburgering. Vanaf 1 april 2019 is het alleen nog maar toegestaan achteraf te factureren. Hierdoor is de debiteurenpositie per einde boekjaar toegenomen.
De liquide middelen zijn met € 2,6 mln. afgenomen als gevolg van de toegenomen investeringen.

Door het positieve resultaat neemt het eigen vermogen met € 5,1 mln. toe. De in 2014 in gang gezette acties om de verlieslatende exploitatie van contractactiviteiten om te buigen naar minimaal neutrale resultaten hebben in 2019 een winst opgeleverd van € 0,1 mln. Hierdoor is de negatieve reserve van contractactiviteiten uit voorgaande jaren volledig teruggedrongen. 
De personeelsvoorzieningen zijn toegenomen met € 0,5 mln. Dit heeft voornamelijk te maken met het vormen van een nieuwe voorziening transitievergoeding als gevolg van de nieuwe Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) alsmede een dotatie aan de voorziening Duurzame Inzetbaarheid vanwege het toegenomen gebruik seniorenverlof. De langlopende schuldpositie neemt ten opzichte van 2018 met € 1,2 mln. af voornamelijk als gevolg van de reguliere aflossingen. 
De kortlopende schulden zijn toegenomen met € 2,1 mln. voornamelijk door een toename in vooruit ontvangen geoormerkte subsidies en een toename van de crediteuren als gevolg van nog openstaande facturen die betrekking hebben op de investeringsprojecten.
 

6.2 Treasuryverslag, vermogenspositie en kengetallen

Treasuryverslag

Het op 13 december 2019 nieuw vastgestelde treasurystatuut is in overeenstemming met de Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016. 

Uitgangspunt van ons treasurybeleid is het waarborgen van de continuïteit van de kerntaak van het Alfa-college door het beschermen van vermogens- en renteresultaten tegen ongewenste financiële risico’s en het optimaliseren van de renteresultaten binnen de limieten en richtlijnen van het treasurystatuut.

In dit beleid zijn onder andere de boven- en ondergrens en streefwaarde voor de solvabiliteit en de norm en signaleringswaarde voor de liquiditeit vastgelegd. Tevens is het financieringsbeleid vastgelegd, waarbij het Alfa-college niet belegt in derivaten en alleen gebruik maakt van conventionele instrumenten en methodieken. Daarnaast is de administratieve organisatie beschreven en zijn de taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie binnen het Alfa-college met de daarbij behorende bevoegdheden vastgelegd.
Het Alfa-college voert een dusdanig financieel beleid en beheer dat zijn voortbestaan in financieel opzicht is gewaarborgd. De balansstructuur (solvabiliteit) vormt hiervoor o.a. een belangrijke ijkwaarde. In het treasurystatuut is hiervoor een ondergrens bepaald van 32% en een bovengrens van 50% (exclusief voorzieningen). Het gerealiseerde percentage bedroeg ultimo 2019 49%.

Wij hebben onze middelen op direct opneembare betaalrekeningen staan bij Nederlandse banken met een kredietwaardigheid > A, alsmede bij het Ministerie van Financiën (AAA). In de jaarrekening is in de toelichting op langlopende schulden een overzicht opgenomen van de lopende financieringen. De looptijd, rentevast periode alsmede het rentepercentage van de leningen is opgenomen in onderstaand overzicht.

Uitstaand vreemd vermogen

Uitstaand vreemd vermogen
  rentevoet Rentevast Looptijd stand per aangegane aflossing stand per looptijd looptijd looptijd
  % t/m t/m 01/ 1/2019 leningen   12/31/2019 <1 jaar 1 - 5 jaar >5 jaar
                     
Overige langlopende schulden                    
Ministerie van Financiën (574) 3,39% 09/24/2035 09/24/2035  6.880.000  0  430.000   6.450.000   430.000   1.720.000   4.300.000 
Ministerie van Financiën (575) 3,78% 09/ 3/2035 09/ 3/2035  5.066.667  0  316.667   4.750.000   316.667   1.266.668   3.166.665 
Ministerie van Financiën (2736) 0,10% 08/31/2021 08/31/2021  9.600.000  0 0  9.600.000  0 0  9.600.000 
Ministerie van Financiën (3303) 0,79% 07/ 1/2038 07/ 1/2038  16.150.000  0  850.000   15.300.000   850.000   3.400.000   11.050.000 
Capgemini 4,50% n/a n/a  708.143   1.195.695   791.454   1.112.384   651.710   460.674  0
                     
Uitstaand vreemd vermogen        38.404.810   1.195.695   2.388.121   37.212.384   2.248.377   6.847.342   28.116.665 

Door het positieve exploitatiesaldo 2019 is het eigen vermogen toegenomen met € 5,1 mln. Van dit bedrag is € 4,5 mln. toegevoegd aan de algemene reserve en is vanuit het positieve resultaat op de private activiteiten een deel van het resultaat gebruikt om de (negatieve) publieke reserve contractactiviteiten aan te vullen. Tevens is € 0,2 mln. gebruikt om toe te voegen aan de reserve cursusgeld. Daarnaast is per saldo € 0,1 aan de bestemmings- reserve VAVO toegevoegd. De private bestemmingsreserve Inburgering is positief gemuteerd met € 0,2 mln.

Het saldo van de voorzieningen ultimo 2019 is met een bedrag van € 0,5 mln. gestegen ten opzichte van 2018. De wachtgeldvoorziening is afgenomen met € 0,5 mln., de ambtsjubileumvoorziening is toegenomen met € 0,3 mln., de voorziening voor duurzame inzetbaarheid (seniorenverlof) is gestegen met € 0,5 mln., de voorziening langdurig ziekteverzuim is afgenomen met € 0,1. De voorziening transitievergoedingen is nieuw gevormd voor een bedrag van € 0,1 mln.

De langlopende schulden zijn, zoals te zien is in bovenstaand overzicht, per saldo afgenomen met € 1,2 mln. Totaal is er voor € 1,2 mln. aan nieuwe verplichtingen aangegaan. Tegenover de nieuw aangegane verplichtingen staat een aflossing van in totaal € 2,4 mln.

Vermogenspositie

De ontwikkeling van het eigen vermogen ziet er als volgt uit (bedragen x €1.000)

Vermogenspositie
Categorie 2019 2018 2017
Algemene reserve 56.913,20 52.353,10 43.402,00
Bestemmingsreserve 2.969,10 2.409,60 1.401,90
Herwaarderingsreserve 0 0 0
Statutaire reserve 1,1 1,1 1,1
Totaal eigen vermogen 59.883,40 54.763,80 44.805,00

Ingevolge de Wet Educatie en Beroepsonderwijs is het exploitatieresultaat, met uitzondering van de mutaties in de bestemmingsreserves, toegevoegd aan de algemene reserve. De bestemmingsreserves worden aangehouden voor Vavo, Contractactiviteiten, Educatie, Cursusgeld en Inburgering.

Kengetallen

Kengetallen
Categorieën 2019 2018 2017
Ongewogen bekostigd²      
Aantal studenten BOL 9.465 9.507 9.734
Aantal studenten BBL 2.746 2.493 2.176
Aantal studenten totaal 12.211 12.000 11.910
Aantal diploma's 3.534 3.453 3.730

² De aantallen ongewogen bekostigde studenten 2019 en het aantal diploma’s 2019 zijn gebaseerd op de laatste terugmelding bekostigingsgegevens d.d. 17 maart 2020 en wijken af van de getallen uit de begroting 2019 welke gebaseerd zijn op een oudere rapport

Categorieën 2019 2018 2017
Aantal fte's ultimo³ 1.061,30 1.043,40 973,9
P-aandeel (pers.kosten/totale baten) 74,00% 67,90% 72,00%
Solvabiliteit 1 (Eigen vermogen/totaal passiva) 49% 47% 41%
Solvabiliteit 2 (Eigen vermogen + voorzieningen/totaal passiva) 54% 52% 47%
Rentabiliteit (resultaat/totale baten) 4,40% 8,60% 3,40%
Liquiditeit (vlottende activa /kortl.schulden) 1,8 2,1 1,8
Huisvestingsratio (huisvestingslasten + afschrijving gebouwen & terreinen)/totale lasten) 0,08 0,09 0,09
Investeringen x € 1 miljoen 12,4 2,8 2,1

³ Ultimo 2019 en 2018 bedraagt het aantal fte’s mobiliteit 0, het aantal fte’s ultimo 2017 is exclusief 0,2 fte mobiliteit.

Toelichting bij de kengetallen

Het totaal aantal ongewogen bekostigde studenten is met 1,8% gestegen ten opzichte van 2018. Het aantal BOL-studenten is met 0,4% gedaald, terwijl het aantal BBL-studenten met 10,1% gestegen is. Het aantal verstrekte diploma’s 2019 stijgt ten opzichte van het voorgaande jaar met 81 (2,3%). 

Ten opzichte van ultimo 2018 ligt het aantal fte’s ultimo 2019 17,9 fte hoger. Deze toename is voornamelijk te wijten aan het toegenomen verzuim in 2019 ten opzichte van 2018.
Het P-aandeel neemt ten opzichte van 2018 met 6,1% toe. Dit heeft voornamelijk te maken met de fors hogere gemiddelde fte inzet in 2019 ten opzichte van 2018. 

De solvabiliteit en rentabiliteit laten beide positieve cijfers zien. Dit wordt veroorzaakt door het positieve exploitatieresultaat in 2019.

De liquiditeit neemt iets af ten opzichte van 2018 maar ligt nog steeds ruim boven de signaleringswaarde van de Inspectie van het Onderwijs. De afname wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere uitgaven voor grote investeringsprojecten die in 2019 zijn uitgevoerd. Dit is ook terug te zien in het kengetal investeringen.

De huisvestingsratio laat een minimale daling zien ten opzichte van voorgaande jaren. Deze daling wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere afschrijvings- en huurlasten in 2019.

6.3 Analyse van de verschillen tussen de realisatie en de begroting

Bij de specificatie per onderwerp wordt een verklaring gegeven van de significante verschillen tussen de begroting 2019 en de realisatie 2019. Voor een diepere analyse verwijzen wij naar deel B hoofdstuk 9 (de jaarrekening) van dit geïntegreerd jaardocument.

Onderstaand is een vergelijking opgenomen tussen de begroting 2019 en de realisatie 2019. Tevens is in de laatste kolom de begroting 2020 opgenomen. De analyse van de verschillen tussen de realisatie 2019 en de begroting 2020 is terug te vinden in hoofdstuk 6.4.
 

Bedragen x €1.000

Categorieën Begroting 2019 Werkelijk 2019 Verschil 2019 Begroting 2020
3.1 Rijksbijdragen 101,9 105,1 3,2 107,5
3.2 Overheidsbijdragen / subsidies overige overheden 1,5 1,9 0,4 2,9
3.3 Wettelijke college- / cursus- / examengelden 0,1 0,2 0,1 0,1
3.4 Baten werk in opdracht van derden 5 5,5 0,5 3,2
3.5 Overige baten 3,5 4,1 0,6 3,3
         
4.1 Personeelslasten 83 86,5 3,5 85,9
4.2 Afschrijvingen 6,1 4,6 -/- 1,5 7,1
4.3 Huisvestingslasten 7,3 6 -/- 1,3 7,9
4.4 Overige lasten 14,9 13,9 -/- 1,0 15,3
         
6 Financiële baten en lasten -/- 0,7 -/- 0,7 0 -/- 0,8
         
8 Resultaat deelnemingen 0 -/- 0,0 0 0
         
Resultaat (incl. afrondingsverschil) -/- 0,1 5,1 5,2 0

Financiële meevallers:

  • de normatieve rijksbijdrage (3.1) is ten opzichte van de begroting € 2,3 mln. hoger uitgevallen. Deze hogere normatieve rijksbijdrage wordt grotendeels veroorzaakt door een toename van de lumpsum vanwege een toename van het marktaandeel en als gevolg van een compensatie voor toegenomen werkgeverslasten en de extra loonkosten als gevolg van het cao-MBO onderhandelingsakkoord 2018-2020;
  • de overige subsidies OCW (3.1) zijn ten opzichte van de begroting € 0,9 mln. hoger uitgevallen. Deze hogere bate is toe te schrijven aan de niet-geoormerkte subsidies. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een aanvullende, incidentele ontvangst in 2019 van ‘niet-uitgeputte middelen’ vanuit de resultaatafhankelijke bekostiging op VSV. Betere resultaten op VSV hebben eveneens geleid tot hogere opbrengsten;
  • hogere opbrengsten van de overige overheidsbijdragen en subsidies (3.2) ad € 0,5 mln. wordt veroorzaakt door een hogere bijdrage ten behoeve van Taalhuizen. Daarnaast zijn er in 2019 nieuwe projecten gestart waar bijdragen voor zijn ontvangen. Dit betreft onder andere de projecten Geïntegreerd Elektrotechniek en projecten waar een bijdrage tegenover staat vanuit het Nationaal Programma Groningen;
  • hogere opbrengsten werk in opdracht van derden (3.4) ad € 0,5 mln. voornamelijk als gevolg van het participeren in nieuwe projecten waaronder RIF Gas 2.0 en nieuw gestarte trajecten zoals Tegemoetkoming Passend Onderwijs;
  • hogere overige baten (3.5) ad € 0,6 mln. voornamelijk veroorzaakt door meer omzet behaald vanuit detacheringen en een toename van de omzet vanuit de catering;
  • lagere afschrijvingskosten (4.2) ad € 1,5 mln. veroorzaakt door het later dan gepland uitvoeren van verbouw- en onderhoudsplannen alsmede een doorgevoerd foutenherstel uit 2017 en 2018 (zie toelichting in B4. Grondslagen voor de jaarrekening).
  • de huisvestingslasten (4.3) zijn gedaald met € 1,3 mln. voornamelijk als gevolg van lagere huurkosten voortvloeiend uit de onderhandelingen met de deelneming CV LOC+ en vanwege het invoeren van de componentenmethode waardoor er meer kosten voor onderhoud geactiveerd zijn dan begroot;
  • lagere overige kosten (4.4) ad € 1,0 mln. voornamelijk als gevolg van lagere kosten voor software-licenties en diensten ICT. In de begroting was ervan uitgegaan dat een aantal projecten uitgevoerd zou worden echter zijn deze projecten uitgesteld. Dit betreft onder andere de vervanging van WiFi alsmede vervanging van de all-in-one printers. Tevens zijn de licentiekosten EduArte lager uitgevallen dan verwacht.

Financiële tegenvallers:

  • de totale personeelslasten (4.1) zijn toegenomen met € 3,4 mln. Hieronder vallen mede de kosten voor bruto lonen & salarissen welke zijn toegenomen met € 2,9 mln. als gevolg van een toename van het gemiddeld aantal fte met 43 en de kosten voor inhuur van derden welke is toegenomen met € 1,3 mln. Deze wordt voornamelijk veroorzaakt door meer inhuur van onderwijzend personeel als gevolg van ziektevervanging. Tegenover deze extra personele lasten staan eveneens meevallers op onder andere de scholingskosten ad € 0,4 mln., hogere uitkeringen UWV als gevolg van zwangerschappen ad € 0,3 mln. en lagere wachtgelduitkeringen ad € 0,1 mln.

6.4 Vooruitblik en begroting 2020

Het begrote exploitatieresultaat voor 2020 is € 0 mln. In de meerjarenraming die was opgenomen in de continuïteitsparagraaf van ons geïntegreerd jaardocument 2018 gingen we voor 2020 uit van een resultaat van € 1,1 mln. positief. Dit verschil van -/- € 1,1 mln. wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat we bij het maken van die raming de mogelijk te ontvangen loon- en prijscompensatie niet hebben meegenomen. Dit is conform de systematiek die jaarlijks gehanteerd werd. Met ingang van het opstellen van de begroting 2020 is de mogelijk te ontvangen loon- en prijscompensatie in 2020 wel meegenomen in de begroting en derhalve ook de meerjarenraming. Tezamen met een toename van het macrobudget Lumpsum en een verbeterd marktaandeel levert dit een hogere Rijksbijdrage op. 
De toename van het gemiddeld aantal fte is in 2019, voornamelijk vanwege het verzuim, sneller toegenomen dan in de meerjarenraming was meegenomen. Dit levert hogere personeelskosten op. Ook de investeringskosten zijn toegenomen ten opzichte van de meerjarenraming die in de continuïteitsparagraaf van ons geïntegreerd jaardocument 2018 was opgenomen. Dit wordt veroorzaakt door hogere investeringen dan destijds was ingeschat, met name betreft dit investeringen op de locatie Voltastraat, Hoogeveen alsmede nieuwe investeringsplannen. De overige lasten zijn toegenomen als gevolg van het doorschuiven van geplande vervangingen inzake onder andere WiFi.

Bedragen x €1.000

Categorieën werkelijk 2019 begroting 2020 verschil
       
3.1 Rijksbijdragen 105,1 107,5 2,4
3.2 Overheidsbijdragen / subsidies overige overheden 1,9 1,9 0
3.3 Wettelijke college- / cursus- / examengelden 0,2 0,1 -/- 0,1
3.4 Baten werk in opdracht van derden 5,5 4,2 -/- 1,3
3.5 Overige baten 4,1 3,3 -/- 0,8
       
4.1 Personeelslasten 86,5 85,9 -/- 0,6
4.2 Afschrijvingen 4,6 7,1 2,5
4.3 Huisvestingslasten 6 7,9 1,9
4.4 Overige lasten 13,9 15,3 1,4
       
6 Financiële baten en lasten -/- 0,7 -/- 0,8 -/- 0,1
8 Resultaat deelnemingen -/- 0,0 0 0
       
Resultaat (incl. afrondingsverschil) 5,1 0 -/- 5,1

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op de significante verschillen in de baten en lasten tussen realisatie 2019 en begroting 2020.

Rijksbijdragen OCW ( +/+ € 2,4 mln.)
De Rijksbijdragen OCW nemen ten opzichte van 2019 toe met € 2,2 mln. Deze stijging is voornamelijk toe te wijzen aan het in de begroting 2020 opnemen van de nog vast te stellen structurele loon- en prijscompensatie 2020. Als schatting is in de begroting 2020 een bedrag meegenomen van € 2,4 mln.

Baten werk in opdracht van derden (-/- € 1,3 mln.)
Ten opzichte van 2019 dalen de baten in opdracht van derden met € 1,3 mln. 
De daling is het gevolg van de verdere daling van het aantal studenten dat een Inburgeringstraject naar schatting zal gaan volgen. Tevens worden er minder projectbaten verwacht vanwege het afronden van een aantal projecten in 2019 waaronder RIF Regionaal Co-makership. 

Overige baten (-/- € 0,8 mln.)
De overige baten worden € 0,8 mln. lager ingeschat dan in 2019. Dit wordt veroorzaakt door lagere detacheringsopbrengsten en lagere studentbijdragen. Deze lagere studentbijdragen zijn inherent aan de daling van het aantal studenten vanaf 2020.

Personeelslasten (-/- € 0,6 mln.)
Ten opzichte van 2019 nemen de totale personele lasten naar verwachting af met € 0,6 mln. Deze afname wordt veroorzaakt door de iets lagere schatting van de gemiddelde personele formatie over 2020. In 2020 wordt verwacht dat er 1.040 fte wordt ingezet tegenover 1.048 in 2019.

Afschrijvingen (+/+ € 2,5 mln.)
De afschrijvingskosten nemen met € 2,5 mln. toe. De ver-/nieuwbouw aan de Voltastraat 33 in Hoogeveen zorgt in 2020 voor een flinke toename van de afschrijvingslasten. Tevens zal het Alfa-college op alle locaties de komende jaren flink investeren in het vervangen van de basisvoorzieningen. Deze bestaan naast kantoormeubilair uit inrichting voor de leslokalen zoals leerlingensetjes en audiovisuele apparatuur. 

Huisvestingslasten (+/+ € 1,9 mln.)
Verwacht wordt dat de huisvestingslasten in 2020 € 1,9 mln. hoger zullen uitvallen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere kosten voor schoonmaak en regulier onderhoud aan gebouwen en installaties. Daarnaast nemen de huurlasten ten opzichte van 2019 toe als gevolg van reguliere indexaties en het aanhouden van externe huurlocaties.

Overige lasten (+/+ € 1,4 mln.)
Ten opzichte van 2019 is de verwachting dat de overige lasten zullen toenemen met € 1,4 mln. Dit betreft voornamelijk hogere kosten voor doorgeschoven project zoals de vervanging van WiFi. Daarnaast wordt verwacht dat de inkoop leermiddelen zal gaan toenemen aangezien het Alfa-college het in 2019 ingezette beleid om de lokalen meer te gaan voorzien van leermiddelen, zal gaan voortzetten.